29. Dubbel focus

Di sini Jakarta (29)

Het is september 2010 en ik begin me ongemakkelijk te voelen in Indonesia. De afgelopen tijd vinden er meer en meer ontwikkelingen plaats die me allesbehalve bevallen. Tot voor kort had ik er goede hoop op dat SBY (Susilo Bambang Yudhoyono), de huidige president, bereid en in staat zou zijn om dit land de broodnodige vooruitgang te bieden. Vandaag de dag lijkt het er sterk op dat ik me daarin heb vergist.

Terwijl diverse christelijke kerken en een moskee – toebehorend aan een vreedzame maar andersdenkende moslimgroepering – in brand worden gestoken of tot sluiting worden gedwongen door de FPI – een extreem radicale moslim groep – doet SBY of zijn neus bloedt. Hij zwijgt in alle talen en staat toe dat de politie rustig de andere kant op kijkt. Dit terwijl zowel de staatsideologie ‘Pancasila’ als de Indonesische grondwet, luidkeels verkondigen dat elke Indonesiër recht heeft op vrijheid van godsdienst.

29-1

Terwijl de minister van religieuze zaken het bestaat om openlijk te verkondigen dat de, in zijn ogen, niet aan de eisen van de islam voldoenende Ahmadiyaa moslims hun geloof dienen op te geven, zwijgt SBY opnieuw.

Terwijl de toch al zelden op de werkvloer aanwezige leden van het parlement besluiten dat ze per direct een nieuw parlementsgebouw nodig hebben, met geplande voorzieningen als een zwembad, een spa en een fitness centrum – kosten ± € 112 miljoen – en hierbij volstrekt voorbijgaan aan het feit dat 32 miljoen landgenoten nog steeds in bittere armoede leven, is de stem van SBY op geen enkele frequentie te beluisteren.

Terwijl zijn landgenoten hun ongenoegen uiten over de relatief lage straffen voor zich aan corruptie schuldig makende politici, rechters en hoge politiefunctionarissen, besluit SBY dat de viering van de Indonesische onafhankelijkheid een prima gelegenheid is om deze lieden een strafvermindering toe te kennen.

Vandaag de dag houdt SBY zich voornamelijk bezig met het ‘promoten’ van zijn eigen persoontje. Hij brengt CD’s uit met zelfgeschreven muziek – uitgevoerd door populaire Indonesische artiesten – en deelt boeken en tijdschriften uit die dienen ter verheerlijking van zichzelf en zijn familieleden. Narcisme lijkt zijn nieuwe hobby te zijn geworden.

Als relatieve ‘buitenstaander’ kijk ik ernaar en huiver ik ervan. Ik zie zwaailichten en hoor sirenes loeien. Allemaal signalen die erop duiden dat Indonesia zich niet langer voorwaarts beweegt, maar druk doende is terug te gaan in de tijd. De westerling in mij verwacht toch minstens een stevige reactie van de Indonesische bevolking op dit hele gebeuren, maar opnieuw kom ik bedrogen uit. Het zit er niet in en het komt er niet uit. Het heeft er alle schijn van dat ervaringen uit het verleden ertoe hebben geleid dat bijna iedereen murw is geraakt, en liever zijn kop in het zand steekt dan een vinger omhoog te steken.

Zelfs mijn lieve vrouw Uti kiest er nu voor om de krant niet langer te lezen uit angst een overdosis aan frustraties op te lopen. Het doet me denken aan een beeldje dat mijn lieve en altijd oprechte oma destijds uit voormalig Nederlands Indië had meegenomen. Het bevatte de beeltenis van drie aapjes. Het eerste aapje hield de handen voor zijn oren, het tweede aapje bedekte er zijn ogen mee en het derde aapje smoorde er zijn lippen mee. Horen, zien en zwijgen …. Volgens oma bevatte die beeltenis een verstandige boodschap. Ik geloof graag dat daar in het licht van die tijd, veel voor te zeggen viel. Ik zou zo graag willen dat met de huidige globalisering, en met het verstrijken van de tijd, de mensheid wat mondiger zou zijn geworden en er niet langer voor kiest om zichzelf de mond te snoeren. Helaas geldt hier nog steeds een ander door oma geliefkoosd gezegde: ‘Spreken is zilver … en zwijgen is goud’.

Telkens als ik mijn gezin ervan probeer te overtuigen dat lijdzaam toezien niet de aangewezen weg is om verandering in deze situatie teweeg te brengen, stuit ik op een muur van weerstand. In de huidige Indonesische maatschappij is het een kwestie van: ieder voor zich en Allah voor ons allen. Men gaat er bij voorbaat van uit dat weerstand bieden volstrekt zinloos is. De gedachte dat de gevestigde orde het nu eenmaal voor het zeggen heeft, en dat altijd zal blijven doen, voert hier tot mijn grote ongenoegen de boventoon.

Tegelijkertijd volg ik – via internet – als een in Indonesia woonachtige moslim, de ontwikkelingen in Nederland op de voet. De oosterling in mij volgt met argusogen de gestage vorderingen die mijn nota bene Indo-‘broeder’ Geert Wilders, maakt, in het vergroten van het aantal van zijn volgelingen. Niet omdat ik het met hem oneens ben over de invoering van een stringenter beleid ten aanzien van allochtone criminelen. Wel omdat ik het in elk opzicht volstrekt met hem oneens ben dat een verbod van de islam gerechtvaardigd is. In mijn ogen staat dat gelijk aan het verbieden van voetbal als tak van sport, op grond van het feit dat er hooligans bestaan die overlast veroorzaken en geweld plegen. Het kan en mag toch niet zo zijn dat je daarom honderdduizenden goedwillende voetbalsupporters bij voorbaat kunt veroordelen.

Uiteraard ben ik niet blind voor wat er in Nederland gaande is. Ik begrijp en deel de onvrede van niet alleen de ruim anderhalf miljoen Nederlanders die hun stem op Geert Wilders hebben uitgebracht. Ik begrijp en deel ook de onvrede van de ongetwijfeld vele andere miljoenen mensen, die hun onderhuidse ergernis nog geen stem hebben durven geven. De toename van criminaliteit, waar allochtone Nederlanders procentueel gezien een te groot aandeel in hebben, in combinatie met de vaak als ‘te mild’ ervaren gemiddelde strafmaat, geven daar aanleiding toe. Ik begrijp de gevoelens, de boosheid en de frustraties van de mensen die zich daardoor in Nederland steeds minder ‘thuis’ voelen. Ik ben daarom van mening dat het een goede zaak zou zijn als er verandering zou komen in de slappe houding van de afgelopen regeringen ten aanzien van deze problematiek.

Wat mij betreft is een crimineel een crimineel, ongeacht etnische afkomst of geloofsgroep.

Glenn Abels