22. Lunchperikelen

Di sini Jakarta (22)

Vanmiddag ben ik mijn woning ontvlucht. Het is medio februari en het loopt langzaam tegen het einde van de regentijd. In Jakarta maken muggen dan zoals gebruikelijk het luchtruim onveilig en zorgen voor een toename van het aantal dengue- en malariapatiënten. De meeste wijkhoofden schakelen dan een muggenbestrijdingsdienst in. Deze dienst maakt gebruik van een speciale draagbare rookmachine, die irritant stinkende, smerige vuilgrijze rookwalmen in alle ruimtes van je huis komt spugen. Het doel is het doden van alle aanwezige muggen. In feite is het een weinig effectieve wijze van bestrijding. De rook doodt namelijk niet de muggenlarven die zich in elk beetje stilstaand water in huis bevinden.

A’an, onze bediende, heeft alle etenswaren en potten en pannen uit voorzorg in onze veel te kleine keukenkastjes gepropt en vervolgens alle kieren en naden ervan met oude kranten afgedicht. Ook alles wat verder maar losvast op tafels of kasten staat, zoals de computer, de stereo en de televisie, wordt met kranten afgedekt. In principe een nutteloze actie, want die smerige rook dringt onverbiddelijk overal doorheen. Het geeft A’an in ieder geval het gevoel een nuttige bijdrage te hebben geleverd aan de bescherming van de huisraad.

Rond half twee, een half uur voor de vermeende rookaanval, neem ik ons derde kind, Miau onze rode kater, met bench en al mee naar veiliger oorden. De bedoeling is om ons een paar uur te verpozen op het buitenterras van Bakoel Koffie, een prima koffiehuis gelegen aan dr Jalan Senopati, op vijf minuten rijden van ons huis. Helaas blijkt deze zaak in verband met renovatiewerkzaamheden te zijn gesloten. Firman, mijn chauffeur, zoekt naarstig naar een andere gelegenheid met een buitenterras, maar dat valt bij ons in de buurt helemaal niet mee. Als ik een simpel terrasje bij een kleine warung aanwijs, gaat Firman daar niet mee akkoord. Volgens hem is dat een plek voor chauffeurs en niet voor zijn ‘baas’. Even later belanden Miau en ik, op het met glas afgesloten balkon van restaurant Méradelima aan de Jalan Aditiawarman. Dit in mijn beleving te sjiek ingerichte restaurant is niet echt wat ik in gedachten had, maar mijn chauffeur moet nu eenmaal op tijd terug zijn om de rokerige visite thuis in het oog te houden.

Ik heb de keurig gedekte tafel voor tien personen op het balkon helemaal voor mezelf. Wat een luxe zo rond lunchtijd midden in Jakarta. Miau vindt het vanuit zijn bench echter helemaal niets en laat me dat luidkeels weten. In de wetenschap dat hij hier beduidend beter af is dan temidden van de rookwolken thuis, kan ik zijn geklaag met een schoon geweten negeren. Ik heb een schrijfblok en een pen bij me, en vermaak me daar al een half uurtje prima mee, tot ik me realiseer dat het eigenlijk belachelijk is dat er nog steeds niemand van het personeel langs is geweest om een bestelling op te nemen. Zelfs rekening houdend met de bekende hoge mate van inefficiëntie van bedienend personeel in Indonesië, is dat ongebruikelijk lang. Ik begin aardig dorst te krijgen en besluit uiteindelijk om zelf maar op zoek te gaan naar iemand van de bediening. Op weg naar het balkon stonden er minstens tien keurig geklede jongedames en zo mogelijk nog jongere heren, op de trap om me welkom te heten, maar nu ik daadwerkelijk iemand nodig heb, zijn ze opeens als sneeuw voor de warme tropenzon verdwenen.

Na een paar minuten rondlopen op de zo goed als verlaten bovenverdieping, tref ik een op een lid van het bedienend personeel gelijkend persoon aan. Als ik hem vraag waarom mij nog steeds geen menukaart is aangeboden en waarom niemand mij heeft gevraagd of ik vast iets te drinken wilde bestellen, kijkt hij me slechts met een schaapachtige grimas aan. Zelfs na deze vraagstelling laat deze kennelijk allerjongste der jongste bedienden het na om mij te voorzien van een menukaart.

Mijn normaal gesproken ruimschoots aanwezige portie geduld begint nu toch aardig op de proef gesteld te worden en dus neem ik zelf maar een, achter hem op een tafel liggende, menukaart ter hand en bestel een glas bier en een biefstukje. In afwachting van mijn lunch, neem ik weer plaats en werp een blik op het buitengebeuren. Beneden, op de voor nauwelijks tien auto’s geschikte parkeerplaats, houden liefst twee, strak in een zwart pak vol glinsterende blikken insignes geklede, parkeerwachten, zich voornamelijk bezig met nietsdoen. Hun dagvergoeding voor dit nutteloos rondhangen zal nauwelijks voldoende zijn om hun gezin te onderhouden, maar gezien hun vrolijke gezichten lijkt ze dat niet echt te deren.

Mijn gedachten dwalen regelmatig af. Het ene moment bevind ik me in mijn doorrookte woning in Jl. Kebalen en het volgende moment sta ik naast het ziekenhuisbed van mijn vader in Almere. Hij verkeert na een loodzware spoedoperatie, waarbij een stuk kunststof van zeven centimeter werd aangebracht om zijn gescheurde buikslagader te dichten, voorlopig nog in kritieke toestand. Ik vraag me af of ik, ondanks het feit dat mijn zusje heeft aangegeven dat ik er toch weinig of niets kan doen, niet toch zo snel mogelijk een vlucht naar Amsterdam moet boeken.

Het bestelde biertje smaakt me prima, maar de bijna een half uur geleden bestelde biefstuk laat op zich wachten. Terwijl ik terugdenk aan de triomfantelijke blik in de ogen van mijn bediende, toen ze me vanmorgen mijn twee maanden geleden zoekgeraakte trouwring kwam brengen (ze had hem tijdens het inruimen van keukengerei gevonden tussen twee groenteraspen), maakt Miau weer luidkeels kenbaar het niet eens te zijn met zijn tijdelijke gevangenschap. Het bereiden van de biefstuk blijkt nu overigens al ruim drie kwartier in beslag te nemen, terwijl ik hem toch echt “rare” en niet “well done” had besteld. Het begint er verdacht veel op te lijken dat de chef nog op zoek is naar een rund dat bereid is om een sappig stukje bilvlees te doneren. Ik hoop vurig dat dit stukje vlees in ieder geval niet half bevroren op mijn bord belandt (zie Di sini Jakarta 21). Restaurant Méradelima, “authentic peranakan cuisine”, is in ieder geval geen “fast food” restaurant, aangezien ik hier nu inmiddels al bijna een uur op mijn eten zit te wachten. Ik probeer redenen te bedenken voor de trage dienstverlening: het keukenpersoneel houdt een stiptheidsactie of de chef is in slaap gevallen tijdens het lezen van de receptuur. Het is dat ik geen haast heb, maar anders zou ik waarschijnlijk al – zonder betaling van de bestelde maaltijd – zijn vertrokken. Dit is echt te triest voor woorden.

Na meer dan een uur komt de aap eindelijk uit de mouw en laat een bedeesde jongeman me doodleuk weten dat er helaas geen biefstuk in huis is en hij vraagt me om een nieuwe bestelling op te geven. Ik doe mijn uiterste best om niet ter plekke in woede uit te barsten, maar ik voel me bijna een karikatuur uit een tekenfilm bij wie de stoom letterlijk uit de oren komt. Zijn ze nu helemaal van de pot gerukt. Hebben ze er meer dan een uur voor nodig gehad om tot de ontdekking te komen dat ze geen biefstuk in huis hebben? Ik stuur de jongeman weg en neem even de tijd om af te koelen. Verbaal geweld is in Indonesië “not done”, dus voordat ik het verzoek ga doen om de manager op het gebeuren aan te spreken gun ik mezelf even de tijd. Gelukkig ben ik even later in staat om de manager, zonder stemverheffing en in redelijk beschaafde bewoordingen, te kennen te geven dat ik bepaald niet tevreden ben over het niveau van dienstverlening in zijn restaurant en tracht ik hem duidelijk te maken dat ‘zijn’ zaak zich op deze manier zelf de das om gaat doen. Hij biedt me zijn verontschuldiging aan en zegt dat hij het personeel erop aan zal spreken. Zelf koop ik daar weinig meer voor en ik bel Firman op zijn gsm om uit te vinden hoe het met het rookfestijn in de Jalan Kebalen gaat. Als hij me laat weten dat het nog gaande is, baal ik stevig en overweeg om per taxi op zoek te gaan naar een andere locatie om de tijd door te brengen. Met Miau in zijn bench over straat zeulen om iets anders te vinden zie ik namelijk niet echt zitten. Op weg naar buiten belt Firman me en laat weten dat hij onderweg is. Opgelucht zoek ik in afwachting van zijn komst, op de parkeerplaats een plekje in de schaduw voor Miau en mezelf.

Eenmaal thuis tref ik het te verwachten stinkende rookgordijn aan. De slaapkamer staat helemaal grijs van de rook en in de tuin hebben we te maken met een, in deze situatie, helaas ook gebruikelijke invasie van kakkerlakken. De onderwaterafvoer direct voor het huis wordt namelijk ook uitgerookt en dat brengt altijd een migratie van voor hun leven rennende kakkerlakken met zich mee. Rekening houdend met de hoge mate van gillende paniek die mijn huisgenoten bij het waarnemen van een kakkerlak ten toon spreiden, neem ik een spuitbus Baygon (ongediertebestrijdingsmiddel) ter hand en vorm een éénmans verdedigingslinie om de kakkerlakken de weg naar de woning te versperren. De circa dertig kakkerlakkenlijkjes veeg ik na afloop van het gevecht in een hoek van de tuin om mijn huisgenoten te kunnen laten zien hoe hard ik voor ze heb gevochten.

Ik zet de airco in de slaapkamer aan om de ergste rookwalmen te verwijderen want anders is het er straks niet te harden…. schenk mezelf een glas whisky in, steek een sigaartje op en nestel me op het zitje in de tuin om de middag toch nog een beetje ontspannen te kunnen beëindigen.

Glenn Abels