21. Ancol

Di sini Jakarta (21)

21-1

Na een uiterst winters bezoek aan Holland ben ik nu weer een kleine drie weken terug op het nest in Jakarta. Tijd om even bij te komen van de in Holland opgedane complicaties van mijn copd (chronische bronchitis & longemfyseem) en de ontsteking in mijn rechterlong. Nu weer genieten van tropische temperaturen, zelfs al is het hier nog regentijd. Voor het weekend van 5/7 februari 2010 reserveren we kamers in Hotel Mercure in Ancol, een populaire weekendbestemming in noord-Jakarta. Hotel Mercure is bij uitstek een accommodatie waar mijn vrouw en ik, in alle rust, weer even echt tijd voor elkaar kunnen hebben. De afgelopen tijd was daar niet veel van gekomen omdat Uti in verband met het begeleiden van een reorganisatie gemiddeld twaalf uur per dag op haar werk doorbracht. Bij thuiskomst was er van haar meestal niet veel meer over dan een moe en slaperig zielig stukje mens.

Vanuit onze hotelkamer kijken we uit over de Javazee, zien we de kleine houten vissersbootjes dobberen op de golven, volgen we de bontgekleurde wagonnetjes van het kabelbaantje dat in alle stilte boven de kustlijn glijdt, en doemt in het oosten de rede van Tanjung Priok (de zeehaven van Jakarta) op. De kamer zelf voldoet in alle opzichten aan wat je van een goed en modern 4-sterren hotel mag verwachten. Vanaf het balkon kan ik kinderen horen spelen, spetteren en lachen in het zwembad in de goed onderhouden tuin van het hotel.

21-2

Mijn chauffeur – Firman – had me hier op vrijdag rond het middaguur afgezet om in te checken. Toegang tot de kamer was echter pas vanaf twee uur in de middag mogelijk, dus besloot ik de tussentijd te benutten voor een uitgebreide lunch op het overdekte terras van het restaurant in de tuin van het hotel. Op een nog vrijwel leeg terras bestel ik geroosterde garnalen met Japanse mayonaise en een organische salade. Om de ergste dorst te lessen neem ik een glas Heineken uit de tap en voor bij het eten bestel ik alvast een goed glas Franse rode wijn. Zoals gebruikelijk in Jakarta, betaal ik voor het glas wijn net zoveel als voor mijn hoofdgerecht. De btw op wijn is hier duizelingwekkend hoog en maakt een fles wijn vaak duurder dan een fles sterk alcoholische drank. Maar goed, het is nu even vakantie en dus sta ik mezelf deze luxe toe.

Nog voordat mijn lunch op tafel staat begint het terras vol te stromen met eetlustigen. Geen hotelgasten, maar groepen werknemers van omliggende bedrijven. Aan de bedrijfskleding kan ik zien welke bedrijven hier – voor een vast bedrag – het Indonesische lunchbuffet komen nuttigen. Het “eten zoveel als je wilt”-concept werkt hier prima en trekt drommen mensen aan. Al snel worden er extra stoelen bijgeschoven aan de tafel voor vier personen waar ik op mijn lunch wacht en bevind ik me plotseling te midden van een druk etend en vrolijk maar luidruchtig gezelschap. Het mag de pret niet drukken en ik laat me de lunch prima smaken.

21-3

Stipt om twee uur krijg ik een belletje van de receptie op mijn gsm om te melden dat de kamer beschikbaar is. Een belboy brengt mijn bagage naar de kamer en plaatst de meegenomen zuurstoftank naast het bed. De 95 procent zuivere zuurstof is een prima oplossing voor de slaapproblemen die ik heb als gevolg van de copd. Ik pak alle bagage uit en test of alle faciliteiten, zoals de tv, de kluis, de minibar, de airco etc. naar behoren functioneren.

Uti moet vandaag gewoon werken en ik verwacht haar pas rond een uur of zeven. In de loop van de middag wandel ik op mijn gemak door de hoteltuin, bezoek het zwembad en de buitenbar en lees dat er vanavond bij het restaurant een BBQ arrangement in de planning staat. Dat klinkt aantrekkelijk, maar mijn persoonlijke ervaringen op het gebied van BBQ’s van hotelrestaurants zijn bepaald niet positief. Meestal grillen ze het vlees van te voren en houden het vervolgens warm in grote ‘rechauds’, waardoor het vlees zijn versheid verliest en bovendien door en door gaar wordt. Niet echt een aanrader voor iemand als ik die zijn biefstukje graag vers van de grill en vooral ‘rare’ en niet ‘well done’ op zijn bord ziet belanden. Als Uti en ik rond etenstijd poolshoogte komen nemen, blijkt mijn bange vermoeden juist. Alom ‘rechauds’ met diverse soorten reeds eerder gegrild vlees. Verder staan er tafels vol met mooi ogende bijgerechten en toetjes, maar het blijkt allemaal onvoldoende om gasten te lokken. Het ontbreken van de kenmerkende geur van het op houtskool sissende vlees en het ontbreken van de optie om zelf de gaarheid van het vlees te bepalen, maakt dat de meeste gasten voor een à la carte menu kiezen. Het BBQ arrangement draait dan ook op een enorm – kostbaar – fiasco uit. Er komen in totaal acht gasten op af, terwijl er voor minstens honderd personen eten en drinken is bereid. De ruim twintig dames en heren van het bedienend personeel staan er dan ook enigszins verslagen en vooral werkloos bij.

Ik voel me vandaag goed. Ik heb geen last van ademnood en ben daardoor kennelijk wat overmoedig. Ik bestel dan ook triomfantelijk een T-bone steak en benadruk dat ik deze beslist ‘rare’ en niet ‘well done’ wil hebben. Uti onderdrukt mijn uitbundigheid door erop te wijzen dat dit een Indonesisch hotelrestaurant is en het maar de vraag is of de kok in staat is om aan mijn verwachting te voldoen. Mijn simpele geest vraagt zich af wat je als kok in hemelsnaam fout kunt doen bij het grillen van een stukje vlees. Voorlopig geef ik de kok het voordeel van de twijfel en ik blijf optimistisch. Na de eerste hap van mijn T-bone blijk ik inderdaad bedrogen uit te komen. Het vlees is nog volledig rauw en bovendien steenkoud. Het lijkt wel of ze dit – dure – stuk vlees, nog half bevroren en gedurende minder dan een minuut over de BBQ hebben laten vliegen. Uti had dus toch gelijk …. Ik stuur mijn maaltijd terug naar de keuken met het verzoek om het nog eens dunnetjes over te doen, maar bij terugkomst blijkt tot mijn stomme verbazing dat het vlees nog steeds steenkoud is. Op deze manier is het echt niet te eten en zie ik me genoodzaakt om de kok een derde poging te laten wagen.

Uti kan het echter niet meer aanzien en begeleidt mijn biefstuk persoonlijk naar de keuken. Inmiddels zijn we bijna een uur verder, ben ik het grootste deel van mijn eetlust al kwijt en bovendien ook nog lichamelijk vermoeid geraakt door de in Indonesië helaas veelvuldig voorkomende gevechten om zout uit een zoutvaatje te krijgen. Uti doet even later verslag van de reden van mijn T-bone ‘on the rocks’. Omdat ik bij het opgeven van de bestelling nadrukkelijk had aangegeven dat ik mijn steak ‘rare’ wilde hebben, was de kok bang dat deze ‘medium’ zou worden als hij hem te lang zou grillen. Hij had het vlees daarom, inderdaad nog half bevroren, gedurende slechts twee minuten op de grill gelegd. Ik neem uiteindelijk nog een paar happen van mijn vlees, deel een paar stukjes met een piepjong straatkatje dat zich gezellig op mijn voeten had genesteld en hou mijn T-bone verder voor gezien. Die nemen we gewoon mee naar de kamer.

21-4

Het hele gebeuren noopt me trouwens om nu toch even gebruik te maken van de draagbare zuurstofcontainer, die ik voor de zekerheid altijd bij me draag. De kwaliteit van de keuken valt vanavond dus behoorlijk tegen. Zo goed als de lunch was, zo slecht was het diner. Zelfs de champignoncrèmesoep die Uti had gekozen, kwam niet door de keuring. Het was inderdaad crème, maar daar was verder alles mee gezegd. Het zou net zo goed een even smakeloze spinazie-, spruitjes- of zeewiersoep geweest kunnen zijn. Ook dit gerecht bleef dus grotendeels onaangetast.

Uit kennelijke frustratie over de mislukte BBQ, besloot het personeel van het restaurant – met instemming van hun manager – om er dan maar, met behulp van een toetsenbord, een soort privé karaoke feestje van te maken en nam de een na de ander plaats achter de microfoon. Hun zangtechnische kwaliteiten waren voldoende reden voor Uti en mij om direct te verhuizen naar de lobby van het hotel.

In de lobby wordt opgetreden door een jonge ‘jazzy’ zangeres, die onder begeleiding van een toetsenist aan een vleugel, nummers zingt van o.a. Frank Sinatra en Diana Ross. Een verademing ten opzichte van het a-muzikale gekakel op het buitenterras. We nestelen ons op een sofa en ik wandel richting de bar om koffie te bestellen.

Aan een tafeltje recht tegenover de bar zit een gezelschap van zes Chinezen te genieten van de inhoud van een op tafel staande fles whisky. Ze zijn zo te zien al bezig aan hun tweede of derde fles, want ze zijn al redelijk beschonken en op een gelukkig onschuldige en gezellige manier, luidruchtig.

Als we het rond middernacht voor gezien houden in de lobby, wandel ik opnieuw naar de bar om af te rekenen. De fles whisky op de ‘Chinese’ tafel heeft nu plaats gemaakt voor een schaal vol vers gegrilde vis. Ik vraag me af waar ze die op dit tijdstip vandaan hebben weten te toveren, kijk waarschijnlijk net iets te lang en te gretig naar de inhoud van de schaal en sta twee tellen later met een bord vis in mijn handen! De Chinezen blijken Japanners te zijn en ze zien mij – qua uiterlijk – voor een landgenoot aan! Een fenomeen waar ik hier in Indonesië trouwens regelmatig mee te maken heb. Winkelpersoneel, taxi chauffeurs etc. zien mij per definitie voor een Japanner aan. Als ik ze uit de droom help en vertel dat ik uit Holland kom, rollen hun ogen bijna uit hun kassen.

21-5

Na wat formele plichtplegingen zeg ik beleefd dank voor de vis en loop inwendig lachend terug naar onze sofa. Voordat we onze kamer opzoeken maak ik eerst de vis soldaat. Het blijkt dat deze vis speciaal wordt gegeten op het moment dat ze met een buik vol kuit zitten. Het smaakt prima, maar het valt niet mee om ze met behulp van eetstokjes naar binnen te werken.

De volgende ochtend wandelen we na het ontbijt richting het strandje achter het hotel. Er staan borden met de mededeling dat hier niet gezwommen mag worden. Een volstrekt onnodige boodschap, aangezien het water zo vervuild is dat je het niet in je hoofd zou halen om hier ook maar een voet in het water te steken.

Dit is een van de dingen in Indonesië waar ik niets van begrijp. Ancol is een voor Jakartaanse begrippen hoogstaand uitgaansgebied met onder andere een golfterrein, een zwemparadijs, Seaworld, een 4D-bioscoop, een grote concerttent, een strandgebied met diverse watersportactiviteiten en vele kleine en grote eetgelegenheden. Het 4-sterren hotel Mercure heeft een luxe-uitstraling en bijna alle gasten zijn buitenlandse toeristen en/of behoren minstens tot de Indonesische middenklasse. Niettemin ontgaat het management van Ancol het belang van iets simpels als een schoon strand. Gezien zowel de grote mate van werkloosheid in Jakarta, als de uiterst lage personeelskosten, moet het toch een fluitje van een cent zijn om dagelijks voor schone stranden te zorgen om daarmee de aantrekkingskracht van Ancol aanzienlijk te vergroten. Dit fenomeen doet zich helaas voor bij vrijwel alle – toeristische – attracties in Indonesië en zal ongetwijfeld mede de reden zijn voor de op dit moment in het slop zittende toeristenindustrie.
Uti en ik blijven veilig op de rand van de smalle kade zitten en zien tot onze verbazing dat een grote Indonesische familie van circa 20 personen, plastic zeiltjes over de hele breedte van de smalle kade legt en vervolgens plaats neemt om van een gezamenlijke maaltijd gebruik te maken. Dat als gevolg hiervan de kade, als doorgang voor wandelaars, nu volledig geblokkeerd is, vinden ze kennelijk niet van belang. Terwijl Uti en ik het over deze egoïstische mentaliteit van veel Indonesiërs hebben, begint het gelukkig te regenen, moet de familie zich snel uit de voeten maken en is de kade eindelijk weer vrij toegankelijk.

Rond het middaguur moet Uti op pad om de kinderen van school te halen. want ook de zaterdag is hier een normale schooldag, zij het dat de kinderen dan iets eerder vrij zijn. Uti komt rond drie uur terug, samen met de kinderen en ….. twee nichtjes.

In Indonesië maakt het een hotel niet veel uit hoeveel mensen er feitelijk de nacht op een kamer doorbrengen. Zolang er maar voor de kamer wordt betaald en het hotel niet meer dan twee vouchers voor het ontbijt hoeft te verstrekken. In de praktijk komt het erop neer dat je vaak hilarische taferelen ziet bij het inchecken, want naast de twee ‘reguliere’ gasten komt er vaak nog een bont gezelschap familieleden mee. Tot hun bagage behoort dan minstens een aantal luchtbedden/slaapmatten, dekbedden, kussens, een kindermeisje, tot de nok toe gevulde koelboxen, thermosflessen en verder alles wat ze maar denken nodig te hebben om zonder kosten de avond en nacht te kunnen doorbrengen. Dat onze twee nichtjes vannacht bij Dhana en Wibi op de kamer slapen is dan ook geen enkel probleem.

Terwijl de vier kinderen zich vermaken in het zwembad krijgt Uti een telefoontje van haar zus. Zij en haar man komen vanmiddag ook langs om – gratis – gebruik te maken van het zwembad en de overige hotelfaciliteiten. Per slot van rekening zijn wij betalende gasten en mogen wij hier visite ontvangen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd en dus zitten we al snel met zijn achten in de buitenbar naast het zwembad. Dat er op de tafeltjes bordjes staan met het opschrift: “Verboden om meegenomen consumpties te nuttigen” kan maar weinigen – en zeker niet Ina, de zuster van Uti – ervan weerhouden om een tas vol etenswaar en snoeperijen opzichtig op tafel te plaatsen en de inhoud, met smaak, ter plekke te nuttigen.

Rond een uur of zes komt een gezelschap muzikanten de hoteltuin in en de groep begint zich te installeren voor een optreden. Ik sla het gebeuren gade en verbaas me over het soort instrumenten dat op het ‘podium’ wordt klaargezet. Ik zie een contrabas, een cello, een viool, een ukelele, een paar kleine gitaren en wat klein slagwerk. Verder valt het me op dat er geen grote versterkers worden gebruikt, alleen een paar simpele microfoons. Ik kan mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en begin op het podium een praatje met een van de bandleden. Ten eerste wil ik weten wat voor soort muziek ze gaan spelen en ten tweede waarom ze geen versterkers gebruiken. Als ik te horen krijg dat ze authentieke krontjong gaan spelen, val ik zowat van het podium. In al de tijd dat ik in Indonesië ben, heb ik nog nooit een ‘live’ krontjongformatie zien optreden. Het is bovendien bijzonder, dat de bandleden niet veel ouder zijn dan een jaar of dertig, en dat terwijl krontjongmuziek, anno 2010, door de Indonesische jeugd als ouderwets en oubollig wordt beschouwd en deze muzieksoort vrijwel uitsluitend nog door leden van de ‘oudere’ generatie wordt beoefend. Dit gezelschap muzikanten heeft er echter bewust voor gekozen om krontjongmuziek in ere te houden. Petje af, want een commercieel succes zal het in principe nooit worden en dus gaat het ze niet om het geld, maar om het instandhouden van een culturele erfenis.

Om acht uur wordt het zwembad gesloten en vertrekken we naar onze twee kamers voor een verfrissende douche. De kinderen bij de kinderen en de volwassenen bij de volwassenen.

Vanavond gaan we met z’n allen uit eten bij Bandar Jakarta, een uitstekend seafoodrestaurant in Ancol. Om nog meer vreugd te ervaren zullen zich twee extra zielen bij het diner aansluiten….. er komen namelijk nog twee nichtjes onze kant op. In het restaurant parkeren we de kinderen eerst aan een tafel voor tien personen en gaan wij volwassenen richting de zeewatertanks en de containers waar de verse oogst van de zee te vinden is. We kiezen voor mosselen, grote garnalen, inktvis en een stuk of zes verschillende vissoorten. Bij het afgiftepunt geven we aan op welke wijze we welke vissoort bereid willen hebben. We kunnen kiezen uit stomen, bakken of grillen en we kunnen aangeven welke sauzen we erbij willen hebben. Terug bij de kinderen wordt de tafel al snel vol gezet met onze drankjes, witte rijst in mandjes van bananenblad, kankung (waterspinazie), lalapan (ongekookte groenten) en diverse sausjes. Even later volgen de eerste visgerechten en beginnen we samen aan de maaltijd. De inktvis hebben we deels in meel laten bakken en deels laten grillen. De mosselen hebben we laten stomen en de vissen hebben we laten grillen. De garnalen zijn op de grill gegaan en overgoten met een pittige saus Padang.

Bandar Jakarta is een favoriete gelegenheid voor het vieren van een verjaardag. Elke tien minuten wordt er wel door luidkeels “lang zal ze leven”-zingend personeel – maar dan in het Indonesisch – een van brandende sterretjes voorziene verjaardagstaart naar een tafel gebracht. Een goede reden voor mij om hier op mijn verjaardag niet te komen eten. Ik heb het persoonlijk namelijk niet zo op dergelijke opsmuk. Nadat iedereen kenyang (voldaan) is, gaan we weer terug naar het hotel.

De kinderen verdwijnen naar hun kamer en vermaken zich met hun laptop, computerspelletjes en de tv. Wij volwassenen genieten in de lobby van het optreden van een in vol moslim ornaat gehulde jonge vrouw, die zich laat begeleiden door twee oudere heren in kostuum. De een bespeelt een klassieke en de ander een country gitaar. Een vrij ongebruikelijk maar bijzonder boeiend trio. We hebben ze tijdens een eerder bezoek aan dit hotel al een keer zien optreden, maar ze zijn zo ontzettend goed, dat het beslist geen straf is om ze opnieuw op te zien treden. Rond een uur of elf beginnen de zwemactiviteiten en de stevige maaltijd in Bandar Jakarta hun tol te eisen. De een na de ander begint in slaap te dommelen en we besluiten om de sessie op te heffen.

Om vier uur in de ochtend word ik weer eens wakker vanwege spierkrampen. Dit keer in mijn voeten, maar vaak is het ook in mijn benen en/of handen. Dit is een mij inmiddels bekende bijwerking van de medicatie die ik gebruik om de copd onder de duim te houden. Een half uurtje later is het verdwenen en kruip ik mijn bed weer in.

Die zondagmorgen wordt ik pas rond een uur of negen wakker en blijkt Uti reeds met alle kinderen op pad te zijn op een paar gehuurde tandems. Fietsen is een ongebruikelijke bezigheid voor deze kinderen, dus hadden ze de grootste moeite om niet om te vallen. In afwachting van hun terugkomst ga ik lekker naar het zwembad om zonder ‘publiek’ te ervaren of dat een activiteit is die ik kan doen zonder in ademnood te komen. Ik begin heel rustig te zwemmen en probeer langzaam de inspanning te verhogen. Het kost me kracht, maar de ademnood blijft vrij beperkt en ik weet er snel van te herstellen zonder een beroep te hoeven doen op mijn noodmedicatie. Ik ben opgetogen en neem me voor om van nu af aan twee keer in de week te gaan zwemmen om de nodige lichaamsbeweging te krijgen.

Om twaalf uur is het uit met de pret en verlaten we het hotel richting een arisan (familiesamenkomst) van Uti’s familie van vaders kant. Er blijken voornamelijk tantes en nichten van Uti aanwezig te zijn. De meeste echtgenoten hebben jammerlijk verstek laten gaan, ongetwijfeld vanwege drukke andere bezigheden….. Na de arisan brengen we de kinderen thuis en vertrekken Uti en ik naar onze salon om de door het zwemmen opgelopen spierpijntjes lekker weg te laten masseren. Aangezien Uti en ik, tussen de bedrijven door, de gelegenheid hebben gehad om lekker ontspannen bij te praten, kunnen we rustig spreken van een heel geslaagd weekend.

Glenn Abels